Home Nascholing per onderwerp Agenda Reviews Contact  

 

Tien tips voor het behandelen van neonatale en pediatrische dieren

neonataal kittenAls dierenartsen behandelen wij het grootste deel van de tijd jonge en volwassen dieren. Maar eens in de zoveel tijd kun je geconfronteerd worden met een pasgeboren (neonaat) of zeer jonge (pediatrische) patiënt. Net zoals katten geen kleine honden zijn, zo zijn neonaten en pediatrische dieren geen mini-versies van volwassen patiënten. Vergeleken met volwassen dieren zijn er significante verschillen in  het stellen van de diagnose, het monitoren en behandelen van neonaten en pediatrische patiënten.

Op de website van VetGirl verscheen enige tijd geleden het artikel “Top 10 tips for treating neonatal and pediatric veterinary patiënts” geschreven door Dr. Garret Pachtinger, VMD, DACVECC. Een interessant maar ook heel praktisch toepasbaar stuk dat we graag met jullie wilde delen.

  1. Bij neonaten is de rectale temperatuur lager dan bij volwassen dieren, te weten: 35 tot 37 graden Celsius. In de eerste vier weken na de geboorte loopt dit langzaamaan op naar de volwassen lichaamstemperatuur (38 tot 39 graden Celsius).
  2. Een fysiologische hartruis kan worden waargenomen tot de leeftijd van 12 weken zonder dat er sprake is van een hartafwijking. Wanneer de hartruis luider is dan verwacht, of na de 12e levensweek nog aanwezig is, is het belangrijk om rekening te houden met aangeboren afwijkingen.
  3. De hematocriet (ht) bij neonatale dieren is lager dan bij volwassen dieren. In de eerste vier weken varieert de ht van 25-30%. Deze stijgt langzaam en bereikt tussen de 4 en de 6 weken de  volwassen waarde.….
  4. Calcium en fosfaat gehaltes zijn hoger bij neonaten.
  5. De urine van neonaten is isosthenurisch omdat ze nog niet in staat zijn om urine te concentreren of te verdunnen.
  6. Doordat het longweefsel meer water bevat, ziet het er op röntgenfoto’s radiodenser uit dan bij volwassen dieren.
  7. Neonaten hebben een relatief groter hart dan volwassen dieren.
  8. Doordat de costochondrale mineralisatie bij neonatale en pediatrische dieren minder prominent is, lijkt de lever meer craniaal en binnen de ribboog te liggen.
  9. Neonaten en pediatrische patiënten hebben minder abdominaal vet en geringe abdominale effusie, hierdoor zie je op abdominale röntgenfoto’s minder details.
  10. Als je vloeistoffen en medicatie wilt toedienen dan kun je dat het beste intraveneus (IV) doen. Wanneer dit niet mogelijk is dan is intraosseale (IO) toediening het beste alternatief. Vloeistoffen en medicatie die via deze route worden toegediend, worden snel in de circulatie opgenomen. Intraosseale toegang kan verkregen worden via fossa trochanter van de femur, het tuberculum major van de humerus, de ileumvleugel en de crista tibia. De auteur, Dr. Garret Pachtinger, geeft de voorkeur aan de femur en gebruikt een 18-22 gauge naald. Bereid de plek van injectie voor zoals je bij een IV katheter zou doen. De IO katheter moet parallel met de lengte-as van het bot ingebracht worden. Wanneer deze geplaatst is, moet je voorzichtig aspireren en spoelen met fysiologisch. Vervolgens kan de katheter vastgezet worden.
    Vanwege het risico op infecties, ontstekingen en zelfs fracturen wordt wel aangeraden om zo snel mogelijk alsnog IV toegang te krijgen.

 

Bron: Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het Engels op de website van VetGirl.

nieuws

toegevoegd op 16 maart 2015

Tags: ,